{loadmoduleid 92}

 

 

 

Classicale Werkgroep
Kerk en Israël Utrecht

Protestantse Kerk in Nederland

Van God gesproken


Hoe spreekt men God aan, als christen? Hoe doen Joden dat?
In de verschillende bijbelvertalingen vindt men: “HEER” of “HERE” , “Heer” of “Here”,“Jahweh” of “Jehovah”. Wat is hier aan de hand?

Aan de basis van al deze vertalingen ligt het Hebreeuwse tetragram, de vier letters jod - hee – wav – hee (J H W H). Dat is geen woord, ook geen naam, maar een teken. Want in de Joodse traditie is de Godsnaam te heilig en te ondoordringbaar voor ons mensen om uit te spreken. Daarom staat in de Joodse bijbel, ons “Oude Testament”, dit teken geschreven. Als Joden dat lezen, zeggen ze daarvoor in de plaats “Adonai”: “Heer”. Het tetragram wordt bijna altijd gevolgd door het woord “Elohenoe”; samen: “HEER, onze God”. Joden spreken ook van “De Naam”, “De Eeuwige”, “Ein Sof “ (= Die geen einde heeft), van “De Rots van Israël”, enzovoort. Immers, als Mozes God vraagt, wie Hij is, antwoordt God: “Ik ben die Ik ben”. Mozes krijgt geen naam te horen.

Sinds de Dordtse synode in 1619 besloot tot een Nederlandse vertaling van de Heilige Schrift, werd in protestantse vertalingen het tetragram met “HERE” in hoofdletters weergegeven. De bijbelvertalers uit de 17e eeuw onderhielden voor adviezen een vrij levendig contact met Joodse schriftgeleerden. Zo werd het onuitsprekelijk heilige van de Godsnaam bewust weergegeven door middel van een woord in hoofdletters, “HERE” en “HEER”, dus ook als teken. Maar als een teken door een woord weergegeven wordt, verliest het aan symbolische betekenis. Dat is echter niet zo erg als het tetragram tot een naam te maken. En dàt gebeurt, als je er “JaHWeH” of “JeHoVaH” van maakt. Dan is “HEER” beter, niet echter als je het met kleine letters gaat schrijven: “Here, onze Here”.

Een voorbeeld: psalm 8 begint met de Godsnaam: “O HERE, onze Here, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde.” Je kunt die zin zo lezen: “De Allerheiligste Naam van onze Heer, hoe heerlijk is die uitgedrukt op de ganse aarde.” De dichter/zanger gaat verder: ”Gij, die Uw majesteit toont aan de hemel …”, en het wordt een bezielde lofzang, een aanbidding. Het is een poging, in die vervoering, om toch onder woorden te brengen wat voor een mens niet onder woorden te brengen is.

God heeft ons zijn Naam niet gegeven. Wij mogen Hem echter wel aanroepen: Mijn God. En zijn vingerafdrukken en voetsporen vinden wij overal. Ook in de bijbelverhalen, in wat Jezus ons liet zien. En in ons eigen leven.


Machteld de Goederen


gepubliceerd 1997